Portretten van mensen vormden de uitzonderingen in haar werk. Ze boetseerde bijvoorbeeld de koppen van componisten als Monteverdi en Strawinsky, figuren met wie ze een sterke affiniteit voelde. Haar bekendste sculptuur is het ruiterstandbeeld van koningin Wilhelmina op het Rokin in Amsterdam, waarin ze mens en dier prachtig wist te combineren. 

Opleiding en ontwikkeling

Theresia van der Pant volgde een tweejarige vooropleiding aan de Rijksnormaalschool voor Teekenleraren, die haar halverwege de jaren ’40 snel toegang verschafte tot de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. In 1950 werkte ze enige tijd in het atelier van de Belgische beeldhouwer Oscar Jespers in Brussel. Hij leerde haar onder meer om haar visuele geheugen te ontwikkelen, een vaardigheid waar ze later veel profijt van had. Boetseren en tekenen deed ze voortaan na uitvoerige observaties nog enkel vanuit haar herinnering. 

Haar doorbraak volgde in 1953, toen ze de tweede prijs won bij de prestigieuze Prix de Rome voor Beeldhouwkunst. Ze betrok een klein atelier op het eiland Wittenburg in Amsterdam en werd lid van kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae. Al snel ontving ze opdrachten van diverse gemeenten voor diersculpturen in de openbare ruimte.